Bang dat ik naar voren wankel, en dan iemand begin te beledigen


De Volkskrant, Het Betoog, 2 februari 2008
Marjolijn Februari
Steeds vaker moet ik denken aan Asterix en de koperen ketel. Niet vanwege die koperen ketel, maar vanwege het optreden van Obelix in een modern theaterstuk. Op het toneel moet hij een boodschap brengen, en omdat ik die taak ook wel eens op mijn schouders voel rusten, kan ik me heel goed inleven in zijn gevoelens.

Om u zo volledig mogelijk te informeren heb ik de strip erbij gepakt, ik sla het boek ijverig voor u open en zie daar op pagina 28 een Romeinse regisseur uit de eerste eeuw voor Christus in de deur van zijn hypermoderne theater staan. Net op dit moment dat ik naar hem kijk, ontslaat hij zijn acteurs. ‘Jullie opvatting van toneel is hopeloos ouderwets’, roept hij boos. ‘Aristophanes, Plautius en Terentius hebben afgedaan… Laten we nu ’ns eindelijk iemand aan het woord laten die wat te zeggen heeft!’
De hippe regisseur besluit dus liever geen acteurs meer aan te nemen, maar gewoon ‘de eerste de beste idioten’ die hij tegenkomt, en gelukkig wandelen net Asterix en Obelix voorbij. Ze krijgen meteen een rol in het stuk, dat een verre voorloper blijkt te zijn van Peter Handkes toneelstuk Publikumsbeschimpfung. De regisseur hoopt vooral een boodschap over te brengen door het publiek te shockeren. En dus roept hij vanaf het toneel: ‘Jullie zijn slecht! Wij zijn ook slecht, maar niet zo slecht als jullie!’ Terwijl een acteur, vermomd als publiek, vanuit de zaal schreeuwt: ‘Stop! ’t Is een schande! U beledigt uw eigen publiek!’
Tot zover business as usual. Het publiek geniet, en de Romeinse prefect op de eerste rij glundert. Maar dan krijgt Obelix te horen dat hij op een teken van de regisseur naar voren moet dansen en dat hij het eerste moet zeggen wat in zijn hoofd opkomt, als het maar een boodschap behelst. Hier begin ik de scène te herkennen, want dit overkomt mij ook steeds. En net als ik heeft Obelix moeite met deze opdracht, hij wankelt naar voren, wordt eerst wit, dan groen, dan rood, en stamelt ten slotte: ‘Rare jongens, die Romeinen!’ Deze uitspraak gaat de prefect, die net nog op de eerste rij zat te glunderen, plotseling te ver. ‘Dit kan ik niet tolereren!’ buldert hij. ‘Sluit die idioten op die het gezag durven te tarten!’
Waarom moet ik nu steeds vaker denken aan deze scène uit Asterix en de koperen ketel? Gewoon, omdat ik steeds vaker bang ben hier op dit toneel ook iets te gaan zeggen waarover het gezag in woede ontsteekt. Bang dat ik naar voren wankel, wit word, en rood en groen, en dat ik dan iemand begin te beledigen. Zoals je in het algemeen bang kunt zijn tijdens een narcose juist die dingen te zeggen die je altijd zo zorgvuldig verborgen hebt gehouden.
Nou is niet alles even schadelijk, natuurlijk zijn er een aantal beledigingen die in de krant best kunnen. ‘Jullie zijn slecht!’ bijvoorbeeld. Dat kan best. ‘Wij zijn ook slecht, maar niet zo slecht als jullie!’ Kan ook. Dat kun je bijvoorbeeld tegen de Chinese autoriteiten zeggen, als je in verband met de Olympische Spelen over de mensenrechten begint. ‘Jullie zijn slecht, Chinezen! Wij zijn ook slecht, maar niet zo slecht als jullie!’ En natuurlijk staat er dan in het publiek altijd wel iemand op die hard ‘schande!’ roept, maar ook dat hoort er bij.
En iets over Soeharto zeggen, dat kan ook. Want ook die is ver weg, en bovendien dood. Dus tegen hem kun je net zo goed over de mensenrechten beginnen. ‘Jij bent slecht, Soeharto! Wij zijn ook slecht, maar niet zo slecht als jij!’ Nee, echt pijnlijk begint het onderwerp van de mensenrechten pas te worden wanneer je kritiek hebt op de Romeinen voor een publiek van Romeinen. Als je kritiek hebt op de Nederlandse omgang met de mensenrechten voor een publiek van Nederlanders.
Stel je nou eens voor dat je Frits Bolkestein interviewt, zoals veel journalisten en discussieleiders deze dagen doen, en dat je dan plotseling over de mensenrechten begint. Nu doen die journalisten en discussieleiders dat natuurlijk niet, die praten gewoon met Bolkestein over de verjaardag van de VVD en over Europa als waardengemeenschap. Maar ik zou toch bang zijn dat ik het wel zou doen, eerst wit worden, en dan groen en rood, en dan iets zeggen over zijn verantwoordelijkheid voor gifgasleveranties aan Irak.
Ik schreef er per ongeluk al een keer eerder over, in de veronderstelling dat ik een boodschap moest brengen op dit toneel. En De Groene Amsterdammer schreef er vorig jaar over, en drong toen aan op een onderzoek naar Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog tussen Irak en Iran, wat de grootste chemische oorlog was sinds de Eerste Wereldoorlog.
‘Een onderzoek’ schreef De Groene in mei 2007, ‘zou ook helderheid kunnen bieden over de vraag of de Nederlandse overheid en zelfs voormalig staatssecretaris Frits Bolkestein gedagvaard dienen te worden.’ Het weekblad citeerde uitspraken die hoogleraar internationaal strafrecht Harmen van der Wilt deed in een radiouitzending; volgens hem kunnen slachtoffers van de gifgasaanvallen uitzoeken of Bolkestein civielrechtelijk is aan te klagen. ‘Je zou kunnen zeggen dat Bolkestein faciliterend is bezig geweest’, had Van der Wilt gezegd. ‘Er zijn duidelijke aanwijzingen van kwade wetenschap. Bijdragen van bedrijven die onder zijn verantwoordelijkheid vielen konden bepalend zijn voor heel veel menselijk leed.’
En Frank Slijper van Campagne tegen Wapenhandel zei in De Groene: ‘Ik ben geen jurist, maar ik zou de stelling wel aandurven dat met name Economische Zaken medeplichtig is geweest aan oorlogsmisdaden. Het zou goed zijn als ook daarover duidelijkheid komt.’ In augustus 2007 drongen hoogleraren rechtswetenschap bij pers en politiek nog eens aan op actie.
Die actie komt er niet. Mensenrechtenschendingen in eigen huis zijn geen nieuws. Alleen oorlogsmisdaden aan de andere kant van de wereld zijn nieuws. En de verjaardag van de VVD.
Rare jongens die Nederlanders.