Wie beschermt het drinkwater van het eiland Guam?

Verschenen op Joop.nl 11/09/2018 Volgens de Defensienota “beschermt de krijgsmacht wat ons dierbaar is”. Maar het materieel is vooral geschikt ter verdediging van onze rijke, luxe manier van leven

Vorige week hield de Tweede Kamer een rondetafelgesprek over een Defensie Energie Strategie. Aanleiding was een D66-voorstel tot ‘vergroening van de krijgsmacht’. Defensie is het ministerie met de grootste CO2 uitstoot; niet vreemd natuurlijk want de andere ministeries hebben geen schepen en vliegtuigen. De uitstoot kan omlaag door zuiniger brandstofgebruik en door overstap op andere energiebronnen dan fossiel. Goed voor het milieu en goed voor het imago. En imago is wel een ding voor een organisatie die grote moeite heeft om voldoende personeel te vinden.

Sommige militairen, waaronder oud-commandant der strijdkrachten Middendorp, waarschuwen voor klimaatverandering vanwege het grotere risico op conflicten. Niet overal wordt dat serieus genomen. De Grote Blonde Leider in Amerika beweert dat klimaatverandering een verzinsel is van de Chinezen en heeft het uit alle strategische documenten laten schrappen. Zijn generaals weten wel beter: een aantal belangrijke militaire basissen bevinden zich op kleine eilandjes in de Stille Oceaan. Het eiland Guam bijvoorbeeld, strategisch gelegen tussen de VS en China (ruim 12.000 kilometer van Washington, 4000 kilometer van Beijing). Met onder meer spionagefaciliteiten, nucleaire onderzeeboten en een landingsbaan voor B-52 bommenwerpers. Het eiland kampt met een toenemend tekort aan zoet water en steeds meer tyfoons en overstromingen. De marine maakt zich zorgen. De militairen pompen weliswaar hun eigen zoetwater op maar het is onduidelijk of er uiteindelijk genoeg over zal blijven voor de plaatselijke bevolking, en die is ook nodig om de basis draaiende te houden. Wereldwijd dreigen zeker dertig Amerikaanse marinebasissen door klimaatverandering in de problemen te komen.

[Guam]
Guam | Beeld: US Navy

Het vergroenen van de krijgsmacht heeft vooral een belangrijke strategische reden. Aanvoerlijnen zijn een kwetsbaar element in oorlogvoering – denk aan de mislukte Russische veldtochten van Napoleon en Hitler. Voedsel en water kunnen eventueel nog lokaal verworven worden, desnoods ten koste van de lokale bevolking, maar munitie, reserveonderdelen en ook brandstof moeten worden aangevoerd. De aanvoer van grote hoeveelheden brandstof naar afgelegen legerbasissen brengt grote risico’s met zich mee. Bekend is de lange gevaarlijke weg door de bergen van Pakistan naar westerse militaire basissen in Afghanistan. Daarom wordt gestreefd naar zelfvoorzienende energiesystemen voor dit soort plekken. Het omlaag brengen van het brandstofgebruik van militaire vaar- rij- en vliegtuigen is natuurlijk ook kostenbesparend voor defensie. De huidige oorlogsplatforms zijn brandstofslurpers.

Het cynische is natuurlijk dat de krijgsmacht een onmisbare schakel is in het systeem dat nu juist klimaatverandering in stand houdt. De alsmaar groeiende productie en consumptie zijn afhankelijk van toegang tot energiebronnen, delfstoffen en aanvoerlijnen. Militairen beschermen deze onduurzame economie. Van de oerwouden van Latijns-Amerika, waar milieubeschermers worden vermoord door paramilitairen. Tot aan de olievelden van het Midden-Oosten, waar wapens worden geleverd aan machthebbers die zich conformeren (ongeacht hun legitimiteit), terwijl machthebbers die hun eigen plan willen trekken rekening moeten houden met ‘regime change‘. De dominantie van westerse krijgsmachten en hun bondgenoten India, Japan, Zuid-Korea en Australië garandeert de ‘command of the commons‘ ofwel “het vermogen om macht uit te oefenen en handel te bedrijven waar en wanneer men wil, en tegelijk anderen deze mogelijkheid te kunnen ontzeggen”. Het gaat daarbij niet alleen om brandstoffen en grondstoffen, maar ook om transport. Het betreft pijpleidingen voor olie en gas in bijvoorbeeld voormalige Sovjetstaten of door inheemse gebieden in de VS. En het gaat om ‘sealines of communication‘, de belangrijkste vaarroutes waarover grondstoffen en producten de wereld over gaan. Wie de transportlijnen beheerst, beheerst de productie, en daarmee het militair voortzettingsvermogen in tijden van oorlog; cruciaal voor militaire dominantie.

Hoe past de Nederlandse krijgsmacht in dit plaatje? De eerste taak van de krijgsmacht is bescherming van het Nederlands grondgebied, maar de regering wil volgens de Defensienota ook ‘Veiligheid brengen rondom Europa’ en ‘Veilig verbinden van het knooppunt Nederland en de aan- en afvoerlijnen’. De regering heeft al aangekondigd dat leger, marine en luchtmacht per jaar 1,5 miljard euro extra zullen krijgen, waarmee het defensiebudget gaat van 8 naar 9,5 miljard. Deze budgetverhoging staat niet op zichzelf, ook andere NAVO landen verhogen hun militaire uitgaven. Hoe het geld precies wordt uitgegeven zal op Prinsjesdag bekend worden, maar van de veertien al bekend gemaakte nieuwe materieelprojecten zijn er elf voor de marine.

Op de website van defensie staat op de pagina ‘taken marine’ allereerst een grote foto van een marinehelikopter die drinkwater levert aan het door een orkaan getroffen Sint Maarten. Weer een klimaat- en imagoverhaal: de marine maakt zich met dit soort taken nuttig in vredestijd maar is geen humanitaire hulporganisatie. Zodra er oorlog komt zal vechten de prioriteit hebben. Marineschepen, met name de grotere, zijn in feite verplaatsbare militaire basissen. De schepen beschikken over zeer geavanceerde bewapening en zitten vol elektronica en software. Het personeel heeft bij voorkeur een hogere technische opleiding. Nederland heeft een paar zwaar bewapende fregatten en onderzeeboten voor onder meer speciale operaties en het verzamelen van inlichtingen. Daarmee kan de marine overal ter wereld optreden, niet alleen op de Noordzee en in de wateren rond de overzeese koninkrijksdelen. Nederland speelt hiermee in NAVO-verband een belangrijke rol in de ‘command of the commons’.

Volgens de Defensienota “beschermt de krijgsmacht wat ons dierbaar is”. Dat suggereert dat de krijgsmacht is ingericht ter verdediging van mooie dingen als democratie en mensenrechten. Maar het materieel dat wordt aangeschaft is vooral geschikt ter verdediging van onze rijke, luxe manier van leven. Terwijl we die 1,5 miljard extra voor defensie beter kunnen investeren in verduurzaming van onze economie, en alles op alles zetten om als de wiedeweerga klimaatverandering te stoppen.

Wendela de Vries

...