Van Anraat krijgt 17 jaar voor gifgas

(Volkskrant - Marc van den Eerenbeemt - 10 mei 2007)

Het Haagse gerechtshof heeft woensdag Frans van Anraat (65) veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdrijven in Irak. Het hof vindt een zwaardere straf op zijn plaats omdat hij meerdere malen ‘uit grof winstbejag en met volstrekt negeren van de gevolgen van zijn handelen’ een essentiële bijdrage heeft geleverd aan een omvangrijke en uiterst grove schending van het internationaal humanitair recht door de Iraakse overheid. Dat gebeurde ook nog eens ‘op een moment dat andere leveranciers in verband met de toenemende internationale druk hadden afgehaakt’.

Van Anraat heeft het Irak van dictator Saddam Hussein volgens het hof jarenlang grote hoeveelheden thiodiglycol (TDG) geleverd. Hij wist dat die stof ‘kon en zou’ worden gebruikt voor de fabricage van mosterdgas. Irak gebruikte eind jaren tachtig mosterdgas in de oorlog tegen Iran en bij de onderdrukking van de Koerden in het noorden van Irak.

De rechters rekenen Van Anraat ook zwaar aan dat hij ‘op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van schuldbesef noch deernis met de zo vele slachtoffers van de mosterdgasaanvallen’. Aan het gegeven dat Van Anraat als 65-jarige een groot deel van zijn resterende leven in de cel zal moeten zitten wilde het hof ‘slechts zeer beperkt’ meewegen bij de bepaling van de lengte van zijn celstraf.

Zowel aan slachtoffers als aan de internationale rechtsgemeenschap moet duidelijk zijn dat Nederlandse rechters zwaar tillen aan misdrijven als die van Van Anraat, aldus de rechters. Ook moet mensen en bedrijven die handelen in wapens of bepaalde grondstoffen ‘worden ingescherpt’ dat zij betrokken kunnen raken bij zeer ernstige misdrijven.

Het Haagse hof sprak Van Anraat evenals de rechtbank vrij van opzettelijke medeplichtigheid aan genocide ofwel volkerenmoord. Het OM heeft hem dat wel verweten. Op grond van rapportages van de Verenigde Naties zijn er wel ‘krachtige aanwijzingen’ voor de wil bij Saddam Hussein tot het uitmoorden van Koerden in Noord-Irak. Het hof achtte echter niet bewezen dat Van Anraat op de hoogte was van mogelijke plannen tot genocide.

De zaak tegen Van Anraat is op de voet gevolgd door Koerdische slachtoffers van het Iraakse regime, zoals die van de gifgasaanval op het Noord-Iraakse dorp Halabja in 1988. Televisiebeelden van gestorven kinderen en volwassenen in de straten van het dorp zorgden internationaal voor grote ophef.

Vijftien slachtoffers dienden een eis tot schadevergoeding in. Hun toelichting werd door het hof als ‘indrukwekkend’ ervaren. Toch werden zij niet-ontvankelijk verklaard. Hun eis is ‘niet eenvoudig genoeg’ voor een strafzaak. Ook is het hof ‘geneigd’ te denken dat op de vordering buitenlands recht van toepassing is, bijvoorbeeld Iraaks of Iraans recht.

Het radioprogramma Argos en de stichting Campagne tegen Wapenhandel vroegen gisteren aandacht voor de rol van de Nederlandse regering, die begin jaren tachtig ‘doorging met het aanhalen van de economische banden met Irak, ook al had men duidelijke aanwijzingen voor het gebruik van gifgas door Saddam Hussein.’