Frank
Slijper, 10 februari 2008
Achtergrond
Op
5 december jl. presenteerde de Europese Commissie (EC) een voorstel tot
vereenvoudiging van handel in militaire goederen binnen de EU. Waar nu
vergunningplicht geldt voor dergelijke exporten, ongeacht een
bestemming binnen
of buiten de EU, wil de EC deze vergunningplicht voor intra-EU
wapenhandel
sterk versoepelen en deels afschaffen.
Belangrijke
drijfveer achter dit voorstel is in de eerste plaats een sterke lobby
vanuit de
wapenindustrie, die al jaren klaagt over tijdrovende en dus dure
procedures bij
vergunningaanvragen. Een vergunningvrije interne markt zou volgens de
industrie
tot aanzienlijke kostenbesparingen leiden.
Tegelijk
vinden de Europese Commissie en het Europees Defensieagentschap (EDA),
een
(deels) interne markt voor militaire goederen goed aansluiten binnen
het kader
van verdergaande militaire samenwerking, waaronder geïntegreerd
defensiematerieel onderzoek én aanschaf, alsook geïntegreerde
troepenmachten
(bijv. de EU Battle Groups). Een meer concurrerende Europese
defensie-industrie, die niet gehinderd wordt door nationale grenzen,
komt in
die visie ten goede aan de kosten van nieuw defensiematerieel en
voorkomt
onnodige duplicatie in de productie van wapensystemen. Niet voor niets
ging de
lancering van het nieuwe voorstel gepaard met een ander voorstel voor
meer
competitieve aanschaf militair materieel binnen de EU[1]
Noodzaak van wapenexportcontrole aan
de bron
De
voorstellen voor versoepeling gaan vrijwel volledig voorbij aan de
noodzaak van
goede controle op wapenexporten en het belang van nationale
verantwoordelijkheden – zoals ook vastgelegd in de Europese gedragscode
rond
wapenexporten - op dat terrein. Het grootste bezwaar van de Campagne
tegen
Wapenhandel tegen een vergaande vrije markt voor (onderdelen van)
wapensystemen
is dan ook het verlies aan nationale controle over militaire exporten.
Binnen
een internationaal steeds verder integrerende wapenindustrie is het
essentieel
dat ook toeleverende lidstaten zeggenschap hebben over de
eindbestemming van de
onderdelen van wapensystemen. Zo niet, wordt het wapenexportbeleid
internationaal gereduceerd tot het domein van een kleine groep van
landen die
complete wapensystemen assembleren en exporteren. Juist
voor Nederland, dat in grote mate
toeleverancier van componenten voor in het buitenland gebouwde
wapensystemen
is, is deze kwestie daarom bijzonder relevant.
Uiteenlopende uitleg wapenexportcriteria
Hoewel
de EU gedragscode rond wapenexporten inmiddels tien jaar bestaat, varen
veel
lidstaten nog altijd sterk uiteenlopende koersen op dit gebied. Zo
exporteert
het Verenigd Koninkrijk voor miljarden ponden wapens naar Saoedi-Arabië
en
India, levert Zweden grote bestellingen af aan de militaire regimes van
Pakistan en Thailand, en onderhandelt Frankrijk over de verkoop van
ondermeer
Rafale gevechtsvliegtuigen aan Libië. Deze bestemmingen zijn in
principe
allemaal problematisch binnen de Nederlandse context. In de huidige
situatie
zou een vergunningsaanvraag voor de export van Nederlandse onderdelen
van
wapens, bestemd voor een Europese wapenfabrikant en met als
eindbestemming een
van voornoemde landen, waarschijnlijk afgewezen worden.
Met
het plan van de Commissie komt die eigen controlerende rol goeddeels te
vervallen. In het beste geval zal Nederland geïnformeerd worden over de
voorgenomen doorverkoop aan een derde land, maar waarschijnlijk
periodiek én
pas achteraf.
Europese drogredenen
Hoewel
de Campagne tegen Wapenhandel erkent dat de defensie-industrie in
toenemende
mate grensoverschrijdend (deels binnen de EU, deels wereldwijd)
opereert en
daarmee tot groeiende exporten van componenten en deelsystemen naar
partnerlanden kan leiden[2],
deelt het niet de bezwaren die worden aangevoerd tegen de huidige
vergunningsplicht, die volgens de Campagne tegen Wapenhandel geenszins
overmatig belastend en tijdrovend is, zoals de Commissie stelt.
Immers,
in de Nederlandse situatie, die in meer landen geldt, is het voor
bedrijven al
mogelijk om met zgn. globale vergunningen, voor vastgestelde delen van
wapens,
aan een geselecteerde groep afnemers te leveren. Daarmee wordt
bedrijven die
regelmatig aan dezelfde afnemer leveren een belangrijk deel van de
kosten en
tijd die ze kwijt zouden zijn aan vergunningaanvragen bespaard. Wat dat
betreft
stelt de regering terecht dat de voorgestelde versoepeling voor
Nederlandse
exporteurs van componenten “geen specifieke voordelen” zal opleveren.
In
het geval van individuele exportvergunningaanvragen (voor losse orders)
geldt
bovendien dat goed bekend staande exporteurs, zeker bij reguliere
bestemmingen
binnen de EU, in de meeste gevallen al binnen enkele dagen de benodigde
vergunning van het ministerie van EZ krijgen. Alleen in het geval van
minder
courante exportaanvragen voor bestemmingen buiten de EU gelden soms
langere
termijnen, die voor een goede toetsing van de aanvraag aan de criteria
van de
gedragscode ook noodzakelijk zijn.
De
Campagne tegen Wapenhandel daarom grote vraagtekens bij het onderzoek
dat in
opdracht van de Commissie is gedaan en waaruit zou blijken dat het
totaal van
directe en indirecte kosten voor de wapenindustrie, verbonden aan de
vergunningenprocedure, 3,16 miljard euro (op een totale
exportvergunningwaarde
van rond de 10 miljard euro!) zou bedragen. Zeker voor
vergunningsaanvragen
binnen de EU kan onmogelijk een dergelijk hoog bedrag aan kosten gelden.
Conclusie
Nu
de defensieproductie wereldwijd steeds verder internationaliseert, is
het des
te belangrijker dat geharmoniseerde, restrictieve en duidelijke
interpretaties
van de exportcriteria worden nageleefd. Zolang dit – óók in Europa -
nog niet
het geval is, dienen individuele lidstaten volledige zeggenschap te
houden over
eventuele re-transfers (wederuitvoer) van (onderdelen van)
wapensystemen vanuit
de toegeleverde EU-lidstaat naar een derde land buiten de Unie.[3]
[1] Zie twee begeleidende persberichten
van de EC: “Commission proposes cutting red tape in EU defence
industry”, http://europa.eu/rapid/pressReleasesAction.do?reference=MEMO/07/546&format=HTML&aged=0&language=EN&guiLanguage=en
) en “Commission proposes
enhancing openness and transparency in EU defence markets”, http://europa.eu/rapid/pressReleasesAction.do?reference=MEMO/07/547&format=HTML&aged=0&language=EN&guiLanguage=en ).
[2]
Voor een deel is dat
overigens een fenomeen dat zich, als gevolg van het zogenaamde
compensatiebeleid bij de aanschaf van defensiematerieel, deels al veel
langer
voordoet.
[3]
Zie ook een in 2006
ingebracht bezwaarschrift van ondermeer de Campagne tegen Wapenhandel: http://www.stopwapenhandel.org/projecten/Europa/artikelenEU/consultationpaper.html