Volgens UNDP zijn de militaire uitgaven
van ontwikkelingslanden
een obstakel bij het behalen van de Millenniumontwikkelingsdoelen. De
officiële
defensiebudgetten in veel ontwikkelingslanden bedragen soms meer dan de
uitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs samen. Daarnaast
zijn er vaak onofficiële geldstromen richting het leger die buiten de
staatsbegroting vallen. Je zou dan ook verwachten dat landen die zich
committeren aan het halen van de Millenniumdoelen, zoals Nederland, de
wapenexport naar ontwikkelingslanden op zijn minst zouden ontmoedigen.
Niets is
minder waar, zo blijkt uit onderzoek van het European Network Against
Arms
Trade. Europese landen faciliteren juist militaire exporten door het
beschikbaar stellen van exportkredieten. Tussen de 20 tot 30 procent
van alle
exportkredieten gaat naar de defensiesector, terwijl militaire goederen
gemiddeld
slechts 2 procent van de export van Europese landen beslaan.
Defensiebedrijven doen veel moeite voor het binnenhalen van orders
van ontwikkelingslanden. De meest gangbare manieren daarvoor zijn
speciale aanbiedingen
– bijvoorbeeld een deel van de productie overhevelen naar het kopende
land – of
aantrekkelijke financiële regelingen, zoals een goedkoop exportkrediet.
In de
praktijk blijkt zo’n kredietvoorziening vaak mogelijkheden te bieden om
defensieorders binnen te halen die anders niet tot stand zouden komen.
Zoals
minister Bos (Financiën, PvdA) in een recente brief (12 juni 2007:
‘Toekenning
van schuldenkwijtschelding aan OS begroting’) aan de Tweede Kamer
schrijft: ‘Zonder exportkredietverzekering zou de
export naar economisch lastige landen immers vaak niet tot stand komen.
Doordat
zij een langere adem heeft dan marktpartijen en meer mogelijkheden
heeft om officiële
schulden in te vorderen, kan de overheid deze risico’s op zich nemen.’
Anders
dan de ORET-regeling (Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties), die
een
duidelijk ontwikkelingsdoelstelling had, zijn exportkredieten niet
bedoeld als ontwikkelingsinstrument.
Het is een faciliterend instrument voor Nederlandse exportbevordering.
Desondanks zou men verwachten dat het beleid van de Nederlandse
kredietverstrekker Atradius, die handelt in opdracht van de overheid,
in lijn
is met ontwikkelingsdoelen die de Nederlandse regering zichzelf stelt.
Daarvan
is weinig sprake. Zo werden omvangrijke kredietgaranties voor de
levering van marineschepen aan Indonesië
toegekend rond dezelfde tijd dat vanwege de Tsunami Indonesische
schulden door Nederland
werden kwijtgescholden.
‘Handel verhoogt de welvaart van beide handelspartners’, stelt
minister Bos in zijn eerder genoemde brief. Maar militaire uitgaven
zijn juist
schuldenveroorzakers bij uitstek. Anders dan bijvoorbeeld krediet voor
het opzetten
van een veevoederfabriek, dragen leningen voor militaire aankopen niet
bij aan productie
die het mogelijk maakt de aankoop terug te betalen. Mede hierom
verstrekken IMF
en de Wereldbank geen kredieten voor militaire uitgaven. Militaire
aankopen
zijn verantwoordelijk voor 15 tot 20 procent van alle internationale
schulden.
Corruptie, het grote smeermiddel van de wapenindustrie, valt overigens
gewoon
binnen het verzekerde bedrag. Wapenhandel is op zich natuurlijk een
legale
economische activiteit, maar het neemt zo’n speciale plaats in en er
zitten
zoveel politieke consequenties aan,
dat er op zijn minst speciale aandacht
nodig is. Niet voor niets
is wapenhandel uitgezonderd van alle belangrijke (handels-)verdragen,
zoals het
GATTverdrag en het EU-verdrag. Daardoor is het ook uitgezonderd van de
OESOafspraak om geen exportkrediet te verstrekken aan landen die zwaar
in de schulden
zitten, en valt het niet onder de OESO-richtlijnen voor maatschappelijk
verantwoord
ondernemen. Wapenhandel is in internationaal juridisch opzicht volledig
een
witte vlek.
Ook de European Code of Conduct on Arms Exports is een
niet-bindende EU-richtlijn. Dat geeft Nederland de vrijheid om zelf
beleid te
maken. Maar tot nu werd in de discussie over sociale implicaties van
exportkredieten
over wapenhandel niet gesproken. In het Nederlandse beleid wordt er
vaak voetstoots
van uitgegaan dat landen nu eenmaal het recht hebben om zich te
bewapenen op
grond van artikel 51 van het VN-Handvest. In landen waar het leger een
soort
Vierde Macht vormt die zich grotendeels aan democratische controle
onttrekt,
zoals Indonesië, Pakistan en Turkije, heeft dit beroep op het recht op
zelfverdediging voor het doen van forse wapenaankopen een wat wrange
bijklank.
Binnenkort organiseert het ministerie van Financiën een themadag over exportkredieten voor leden van de Tweede Kamer. Tot nu toe heeft de minister nog geen commentaar gegeven op het grote aandeel militaire exporten in het pakket van kredietverzekeringsmaatschappij Atradius. Ook is er nog geen antwoord op Kamervragen die door de Socialistische Partij zijn gesteld naar aanleiding van het onderzoek van het European Network Against Arms Trade. Het zou mooi zijn als minister Bos en minister Koenders duidelijkheid zouden verschaffen over hun visie op de relatie tussen militaire exportkredieten en Millenniumdoelen. Als kredietverstrekker heeft de Nederlandse overheid wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid.