Tussentijdsvonnis Henk S. 27 mei 2004

Beschikking van de Rechtbank Alkmaar op een bezwaarschrift van Henk S.

LJN-nummer: AP0144
Zaaknr: Rdk.nummer: 04/125
Bron: Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak: 27-05-2004
Datum publicatie: 27-05-2004
Soort zaak: straf -
Soort procedure: raadkamer

RECHTBANK ALKMAAR


BESCHIKKING

op het bezwaarschrift ex artikel 208, derde lid, Wetboek van Strafvordering

Rdk.nummer: 04/125
Parketnummer: 14.038041-04
Uitspraak: 27 mei 2004

Op 29 april 2004 is ter griffie van deze rechtbank een bezwaarschrift op de voet van artikel 208, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering binnengekomen, dat is ingediend door mr. D.W.H. Wolters, advocaat te Hoofddorp, namens:

[verdachte 1],
geboren op [datum] 1943 te [plaats]
wonende te [adres],

waarbij bezwaar is gemaakt tegen de weigering van de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van Strafzaken, de namens [verdachte 1] opgegeven getuigen te horen.

Het bezwaarschrift is behandeld op de terechtzitting met gesloten deuren van 13 mei 2004 door de meervoudige economische kamer voor strafzaken. De uitspraak is bepaald op 27 mei 2004.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken die op deze zaak betrekking hebben.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op hetgeen bij de behandeling in raadkamer van 13 mei 2004 door de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

1. PROCEDURELE GANG VAN ZAKEN

In de onderhavige strafzaak is op 2 december 2002 een gerechtelijk vooronderzoek geopend en hebben op diezelfde dag doorzoekingen plaatsgevonden, o.a. in de woning van verdachte en in het kantoorpand van de door hem gedreven ondernemingen. Op 13 april 2004 zijn wederom doorzoekingen uitgevoerd. In de tussenliggende periode heeft de rechter-commissaris, voor zover dat uit de stukken van het geding valt af te leiden, geen bemoeienis gehad met de zaak. Op verzoek van de rechter-commissaris heeft de raadsman van verdachte bij brief van 22 april 2004 de namen van 19 personen opgegeven die hij binnen het gerechtelijk vooronderzoek als getuigen wenste te (doen) horen. Die brief bevat voorts de aankondiging van de raadsman op zeer korte termijn nog een aantal andere getuigen te zullen opgeven. De rechter-commissaris heeft bij gemotiveerde beschikking van 26 april 2004 geweigerd de reeds opgegeven 19 getuigen te horen, waarna hij, eveneens op 26 april 2004 het gerechtelijk vooronderzoek heeft gesloten. Bij brief van 27 april 2004 heeft de raadsman de namen van nog 8 andere getuigen opgegeven. Op diezelfde dag, 27 april 2004, is de dagvaarding aan verdachte om te verschijnen op de openbare terechtzitting van 13 mei 2004, betekend. De rechter-commissaris heeft niet gereageerd op de brief van verdachtes raadsman van 27 april 2004. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 26 april 2004 heeft verdachtes raadsman op de voet van artikel 208, derde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) een bezwaarschrift ingediend, dat op 29 april, derhalve binnen de daarvoor geldende termijn, is binnengekomen. De mondelinge behandeling van het bezwaarschrift is bepaald op 13 mei 2004, voorafgaand aan de openbare terechtzitting. De beslissing op het bezwaarschrift is bepaald op heden.

Omtrent de behandeling van bezwaarschriften als de onderhavige zijn in de wet geen bijzondere regels gegeven, naast die welke in raadkamerprocedures in het algemeen van toepassing zijn (artt. 21 t/m 25 Sv). In het bijzonder ontbreekt een wettelijke regeling voor de situatie die zich in casu voordoet, nl. dat het bezwaarschrift is ingediend op een tijdstip waarop de zaak bij dagvaarding voor de terechtzitting reeds aanhangig was gemaakt, terwijl vóór de beoogde aanvang van het onderzoek ter terechtzitting nog niet is beslist op het bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank brengt redelijke wetstoepassing mee dat ten deze aansluiting wordt gezocht bij de artikelen 250 en 262, tweede lid, Sv die zien op de behandeling van een bezwaarschrift tegen de kennisgeving van verdere vervolging respectievelijk de dagvaarding. Ingevolge deze bepalingen dient de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting te worden uitgesteld indien op het tijdstip waartegen de verdachte is gedagvaard nog niet (onherroepelijk) is beslist op het ingediende bezwaarschrift. Dienovereenkomstig heeft de rechtbank na afloop van de behandeling van het bezwaarschrift op 13 mei 2004 beslist tot uitstel van de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting op 13 mei 2004 voor onbepaalde tijd. De verdachte zal te zijner tijd moeten worden opgeroepen teneinde te verschijnen op de reeds uitgebrachte dagvaarding.

2. REIKWIJDTE VAN HET BEZWAARSCHRIFT

Het ingediende bezwaarschrift heeft blijkens de inhoud daarvan betrekking op alle 27 door verdachtes raadsman opgegeven getuigen. De beschikking van de rechter-commissaris ziet echter slechts op de bij brief van 22 april 2004 opgegeven 19 getuigen. De overige door de raadsman gewenste getuigen zijn pas opgegeven nadat de rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek had gesloten. Bij gebreke van een beslissing terzake moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris heeft geweigerd deze te horen. Artikel 241, eerste lid, Sv biedt weliswaar de verdediging de mogelijkheid de rechter-commissaris na sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek en vóór het onderzoek ter terechtzitting te verzoeken onderzoekshandelingen te verrichten, maar tegen de beslissing van de rechter-commissaris op zodanig verzoek staat geen rechtsmiddel open.
Het voorgaande brengt in beginsel mee dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is voor zover het ziet op de na sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek opgegeven getuigen. In de onderhavige zaak ziet de rechtbank evenwel aanleiding het verzoek de bedoelde getuigen te horen, bij de beoordeling van het bezwaarschrift te betrekken. Daaromtrent overweegt de rechtbank dat aan de verdediging weliswaar enige tijd is gegund de door haar wenselijk geachte getuigen op te geven, maar dat die termijn in het licht van de gehele duur van het gerechtelijk vooronderzoek en de complexiteit van de zaak relatief kort is geweest. De omstandigheid dat de openbare behandeling van de zaak reeds geappointeerd was voor 13 mei 2004 en om die reden enige haast was geboden bij de afronding van de onderzoekshandelingen binnen het gerechtelijk vooronderzoek kan aan de verdediging in casu niet worden tegengeworpen. Gelet op de periode die vóór de zittingsdatum nog besteed had kunnen worden aan onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris behoefde de verdediging niet bedacht te zijn op het feit dat reeds op 26 april 2004 tot sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek zou worden overgegaan.

3. BEOORDELING VAN HET BEZWAARSCHRIFT

Met betrekking tot een aantal van de door de verdediging opgegeven getuigen ziet de rechtbank geen aanleiding deze door de rechter-commissaris te doen horen. Het bezwaarschrift zal dan ook in zoverre ongegrond worden verklaard. Ten aanzien daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende overwogen.

[Naam] van Verboom International B.V zou als getuige moeten worden gehoord, omdat hij soortgelijke kogellagers heeft geleverd aan dezelfde eindafnemer als aan [verdachte 1] en zijn medeverdachten wordt verweten, zonder dat aan [naam] een zgn. catch all-beschikking is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan [naam] aldus slechts verklaren omtrent de export van goederen door zijn eigen onderneming en niet omtrent de aan [verdachte 1] c.s. ten laste gelegde feiten, in het bijzonder niet omtrent de aan hen opgelegde catch all-beschikkingen en de daarin vermelde goederen.

[Opsporingsambtenaren], opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD-ECD, zouden moeten worden gehoord om te beoordelen of het opsporingsonderzoek overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden. Nu niet is gesteld dat zich bij het opsporingsonderzoek enige onregelmatigheid heeft voorgedaan en de stukken van het geding daarvoor ook geen aanwijzingen behelzen, kan de verdediging niet in haar belangen zijn geschaad door het niet-horen van genoemde getuigen. De rechtbank acht het wel wenselijk dat [naam opsporingsambtenaar] wordt gehoord over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder door hem de in de tenlastelegging onder feit 2 bedoelde O-ringen Viton 70º shore zijn aangetroffen.

[Namen], werkzaam bij de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD), alsmede [naam], voormalig hoofd van de AIVD zijn door de verdediging als getuigen opgegeven met het argument dat [verdachte 1] c.s. als jaren in de gaten wordt gehouden door de AIVD (voorheen: de BVD), zodat het voor de verdediging van belang is te vernemen of de overheid/AIVD reeds al die tijd wist dat [verdachte 1] goederen aan Pakistan leverde en in hoeverre de AIVD samenwerkte met andere overheidsdiensten. Hetzelfde argument ligt ten grondslag aan het verzoek Bot, Remkes en Brinkhorst, de Ministers van respectievelijk Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken Economische Zaken, alsmede de voormalige bewindslieden [namen], te horen.
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De enkele omstandigheid dat de AIVD en/of andere overheidsdiensten op de hoogte zouden zijn van hetgeen [verdachte 1] c.s. in het algemeen ondernam in het kader van de uitvoer van strategische goederen of dual use-goederen naar Pakistan, kan in beginsel niet van invloed zijn op de in de onderhavige strafzaak ten aanzien van de specifieke ten laste gelegde feiten te nemen beslissingen. Dat zou alleen anders kunnen zijn, indien enige concrete betrokkenheid bij de aan verdachte ten laste gelegde feiten aannemelijk zou zijn of indien het openbaar ministerie, niettegenstaande eerdere bekendheid met de uitvoer van verboden goederen naar Pakistan door [verdachte 1] c.s., steeds heeft nagelaten in te grijpen en op oneigenlijke gronden tot vervolging is overgegaan. Dat is echter door de verdediging niet aangevoerd, terwijl de stukken van het geding daarvoor evenmin enige aanwijzing behelzen. Het door de verdediging genoemde incident op Schiphol op 25 juli 2002 duidt daar ook niet zonder meer op. Daar komt bij dat personen als de voormelde bewindslieden politieke verantwoording moeten afleggen dan wel plegen af te leggen in het parlement, zijnde het daarvoor bestemde forum. In het huidige politieke bestel is voorts ook de AIVD onderworpen aan een systeem van controle en verantwoording, hoe ondoorzichtig dat voor de buitenstaander ook moge zijn. De behandeling van een strafzaak ter terechtzitting en het daartoe te verrichten onderzoek door de rechter-commissaris zijn niet bedoeld voor de beoordeling van politieke besluitvormingsprocessen of voor het optreden van de AIVD. De rechtbank ziet dat ook geen grond voor het horen van de genoemde getuigen.
Voor zover het gaat om AIVD-informatie op grond waarvan aan [verdachte 1] c.s. catch all-beschikkingen zijn opgelegd, acht de rechtbank de belangen van de verdediging genoegzaam gediend door [naam] door de rechter-commissaris te doen horen.

Karami, Tweede Kamerlid voor Groen Links, heeft omtrent de zaak [verdachte 1] c.s. kamervragen gesteld aan Bot, Minister van Binnenlandse Zaken, ten aanzien waarvan de verdediging wil weten over welke informatie Karami beschikte en wat de bron daarvan was. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de publicatie van de bedoelde kamervragen (Kamerstukken II, Aanhangsel van de Handelingen nrs. 1107, 1008 en 1211) genoegzaam dat Karami zich daarbij baseerde op informatie in een in NRC Handelsblad van 7 februari 2004 gepubliceerd artikel, waarmee aan de wens van de verdediging Karami als getuige te doen horen het belang is komen te ontvallen. Met het verzoek Bot te horen als getuige teneinde hem de gestelde kamervragen te doen beantwoorden, wordt miskend dat deze de gestelde vragen reeds heeft beantwoord in het daarvoor bedoelde forum en dat het alsnog horen van Bot daaromtrent het systeem van de politieke verantwoordelijkheidsverdeling op onaanvaardbare wijze zou doorkruisen.

[Naam], werkzaam bij de Belastingdienst te Alkmaar, zou volgens de verdediging moeten worden gehoord over haar, op [verdachte 1] c.s. betrekking hebbende, contacten met andere overheidsdiensten. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen de getuige daarover kan verklaren, mede gelet op de door de verdediging overgelegde brief van [naam], niet van belang voor enige in de strafzaak te nemen beslissing.

[Naam], voormalig ambtenaar van de Rijksaccountantsdienst, alsmede [naam] en [naam], (voormalig) ambtenaren van 's Rijks Belastingen, wenst de verdediging te horen vanwege hun betrokkenheid bij een interdepartementaal overleg over [verdachte 1] c.s. respectievelijk een gesprek met de Minister van Binnenlandse zaken. Nu voormeld interdepartementaal overleg en voormeld gesprek halverwege de jaren tachtig zou hebben plaatsgevonden, valt niet in te zien dat informatie daaromtrent van invloed kan zijn op enige in de strafzaak te nemen beslissing, nu de strafzaak betrekking heeft op feiten die zich pas vanaf 1999 hebben voorgedaan.

Met betrekking tot de overige opgegeven getuigen acht de rechtbank het wenselijk dat dezen worden gehoord door de rechter-commissaris. De rechtbank zal dan ook in zoverre het bezwaarschrift gegrond verklaren. Voorts ziet de rechtbank in het op 13 mei 2004 door de officier van justitie aan het dossier gevoegde aanvullende proces-verbaal inzake o.a. de aanwezigheid van [naam] en [naam] bij de doorzoeking(en) door de rechter-commissaris op 13 april 2004, aanleiding de rechter-commissaris in overweging te geven dezen eveneens als getuigen te horen.

4. BESCHIKKING

De rechtbank:

Verklaart het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond.

Bepaalt dat de rechter-commissaris de navolgende getuigen zal horen:
 

[Naam], werkzaam bij MKS Duitsland, p/a MKS Duitsland/MKS Benelux, Kalfjeslaan 40 te 2623 AJ Delft;
[Naam], voormalig directeur van ACE Vital Logistics B.V. (thans DFDS), p/a postbus 7593 te 1118 ZH Badhoevedorp, wonende te [adres];
[Naam], directeur van Dynimpex Holland B.V., p/a Anna van Saksenstraat 56 te 1723 KW Noord-Scharwoude, wonende te [adres];
[Naam], werkneemster van [bedrijf van verdachte 1], p/a [adres];
[Naam], werkneemster van [bedrijf van verdachte 1], p/a [adres];
[Naam opsporingsambtenaar], werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD-ECD, p/a FIOD-ECD, Postbus 8 te 3130 AA Vlaardingen, doch uitsluitend voor wat betreft de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de O-ringen Viton 70º shore zijn aangetroffen;
[Naam], werkzaam als Senior Beleidsmedewerker bij het Directoraat-Generaal voor Buitenlandse Economische Betrekkingen, Exportcontrole en Strategische Goederen, p/a Ministerie van Economische Zaken, Bezuidenhoutseweg 30, postbus 20101 te 2500 EC 's-Gravenhage;
[Naam], directeur Handelspolitiek en Investeringsbeleid, p/a Ministerie van Economische Zaken, Bezuidenhoutseweg 30, postbus 20101 te 2500 EC 's-Gravenhage;
[Naam], p/a Deloite & Touche, Comeniusstraat 8 te 1817 MS Alkmaar.

Bepaalt dat dit onderzoek zal plaatsvinden door een andere rechter-commissaris dan die welke de bestreden beschikking heeft genomen.

Verklaart het bezwaarschrift voor het overige ongegrond.

Geeft de rechter-commissaris in overweging [naam] en [naam], ambtenaren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken respectievelijk het Ministerie van Buitenlandse Zaken, te horen omtrent hun aanwezigheid bij de doorzoeking(en) op 13 april 2004, alsmede nadere onderzoekshandelingen te verrichten, indien hij daartoe aanleiding ziet in de resultaten van het verhoor van een of meer voornoemde getuigen of in anderszins te zijner kennis gebrachte informatie.

Aldus gedaan in raadkamer van deze rechtbank op 27 mei 2004 door mr. A.M. van Woensel, voorzitter, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. Ph. Burgers, leden, in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, in het openbaar uitgesproken en, bij ontstentenis van de griffier, alleen ondertekend door de voorzitter.