Europa en de wapenhandel
Uit: VD AMOK 1997 nr.1
Wendela de Vries & Frank Slijper
Onder Nederlands voorzitterschap moet deze zomer de
Europese Unie vastere vorm krijgen. Hierbij hoort een gezamenlijk
buitenlands- en veiligheidsbeleid. De totstandkoming van dit beleid
verloopt uiterst moeizaam, maar het streven naar een Europa dat sterk
op kan treden gaat stapsgewijs voort. Een verdergaande Europese
militaire samenwerking zal invloed hebben op de Europese wapenindustrie
en het wapenexportbeleid. Zoals het er nu naar uit ziet, zal het
wapenexportbeleid niet worden opgenomen in het 'Verdrag van Amsterdam'
dat deze zomer waarschijnlijk zal worden afgesloten, maar zal er een
aparte regeling voor worden getroffen. Hoe die regeling er precies uit
zal gaan zien is nog onduidelijk, maar te vrezen valt, dat
democratische controle op wapenexportbeleid niet bepaald een prioriteit
zal zijn voor de Brusselse politici. Economisch en strategisch belang
staan voorop. Hoe staat de Europese wapenproduktie er op dit moment
voor? Drie partijen zijn van invloed op de zaken: Industrie, militairen
en politiek.
Het zelf kunnen produceren van wapentuig is voor een staat in tijden
van oorlog van groot strategisch belang. Daarom nam defensie-industrie
in Europa tot voor kort een bijzondere plaats in vergeleken met
'gewone' civiele industrie. Defensiebedrijven kregen economische steun
van de overheid, zowel financiële ondersteuning (denk aan RDM) als
marketing-ondersteuning (handelsmissies in het kielzog van Hare
Majesteit bijvoorbeeld). Vaak waren defensiebedrijven geheel of
gedeeltelijk staatseigendom, en was de staat tevens de voornaamste
afnemer van produkten. Bij de defensie-industrie was sprake van een
zeer beschermde industrietak die niet werkte volgens de principes van
de vrije markt.
Daar is echter verandering in gekomen sinds de vraag naar
defensieprodukten in Europa gestagneerd is door het einde van de Koude
Oorlog en door algemene economische bezuinigingen. Een ander gevolg van
bezuinigingen is dat defensiebedrijven in toenemende mate
geprivatiseerd worden en dat overheidssteun verder afneemt.
Omdat bij de aanschaf van wapens het kostenargument tegenwoordig veel
belangrijker is dan in de jaren '80, is de concurrentie op de gekrompen
markt scherper geworden. Minder dan voorheen laten defensieministeries
de keus voor een bepaald wapentype bepalen door de behoefte een eigen
binnenlands defensiebedrijf te steunen. Als eenzelfde produkt elders
goedkoper aangeschaft kan worden doet men dat tegenwoordig steeds
vaker.
De Europese defensie-industrie ondervindt veel concurrentie uit de
Verenigde Staten, waar half zo weinig defensiebedrijven een markt
bedienen die dubbel zo groot is als de totale Europese markt, waardoor
ze veel kosten-effectiever kunnen produceren. Om tegen de Amerikaanse
defensieprodukten op te concurreren probeert de Europese
defensie-industrie zijn bedrijfsstructuren efficiënter te maken.
Schaalvergroting door overnames is daarbij een belangrijk element.
Gedeelde Research & Developmentkosten en gezamenlijke
bedrijfsvoering leiden immers tot goedkopere produktie en een hogere
winstmarge. Voorheen nationale bedrijven zoeken niet alleen partners in
eigen land maar ook over de grenzen heen, veelal in andere Europese
landen. Er is sprake van survival of the fittest, waarbij de grootsten
(British Aerospace, Thomson/Matra, DASA/Daimler-Benz, en nog een
enkeling) middels fusies en het opslokken van wat kleintjes (zoals HSA)
als enigen zullen overblijven. Op bedrijfsniveau is de Europeanisering
van de wapenindustrie al in volle gang. De Europese politiek holt een
beetje achter deze realiteit aan.
Marktuitbreiding
Naast deze schaalvergrotingsoperaties probeert de wapenindustrie de
terugval van de nationale vraag op te vangen door meer te exporteren.
De pogingen om markten uit te breiden leidt uiteraard tot een
toenemende verspreiding van wapens over de wereld. Dat dit een grote
bedreiging is voor vrede en veiligheid hoeft nauwelijks betoog.
Ook het Partnership for Peace met voormalige Warschau-pactlanden biedt
nieuwe afzetmogelijkheden. Vooruitlopend op uitbreiding van de NAVO
richting Oost-Europa worden Oost-Europese landen aangespoord om hun
legers op het materieelsniveau van de NAVO te brengen. Midden- en
Oost-Europese generaals hebben hier wel oren naar. Omdat vredesgroepen
in Oost-Europa, voorzover zij al bestaan, weinig op deze ontwikkeling
gespitst zijn, is er nauwelijks enig tegenwicht tegen het beslag dat
ten behoeve van wapenaankopen op de krappe Oost-Europese
overheidsbudgetten wordt gelegd. Partnership for Peace is een
misleidende naam. Partnership for Arms Export zou de lading beter
gedekt hebben. Het Partnership for Peace is ook een Partnership for
Arms Export.
De militairen
De West-Europese Unie (WEU) is de meest waarschijnlijke kandidaat voor
het vormen van de defensiemacht van het Verenigd Europa. Hoewel sinds
enige tijd is afgesproken dat de WEU zelfstandig kan en mag opereren,
is er geen sprake van dat de Europese legers los komen te staan van de
NAVO. De Amerikanen beschikken op sommige onderdelen (bijvoorbeeld op
het gebied van troepentransport) over meer militaire capaciteiten dan
Europa, en de Europeanen willen daar in tijden van oorlog graag gebruik
van kunnen maken. Toch wordt wel gestreefd naar een grotere
verzelfstandiging van de WEU.
Op dit moment werken Europese leger voornamelijk met Europees en
Amerikaans materieel. Zoals een staat strategisch belang heeft bij een
eigen defensie-industrie, zo zal een mogelijke toekomstige Europese
defensiemacht belang hebben bij een wapenindustrie die de WEU
zelfstandig van materieel kan voorzien. Tot nu toe werken verschillende
nationale legers allerlei met verschillende wapensystemen van
voornamelijk Europese en Amerikaanse makelij. Er worden bijvoorbeeld
vier soorten tanks geproduceerd in Europa. Een grotere standarisering
van Europese legeraankopen zal het aantal verschillende produkten
verminderen, en de produkten de overblijven zullen goedkoper worden
omdat ze in grotere aantallen gemaakt worden. Goed voor de Europese
defensie-industrie in de concurrentieslag met de Amerikanen, en goed
voor integratie van Europese legers.
Om deze integratie te stimuleren is enkele jaren geleden de WEAG
(Western European Armament Group) opgericht, die door vele
tegenstrijdige belangen van de deelnemers niet echt van de grond komt.
Frankrijk en Duitsland, die vrezen dat het getreuzel schadelijk zal
zijn voor hun concurrentiepositie op de wapenmarkt, hebben daarom
gekozen voor het Europa van twee snelheden op bewapeningsgebied, en
bi-lateraal het initiatief genomen om hun materieel te standariseren en
interoperabel te maken. Het orgaan dat dit moet regelen, de OCCAR
(Organisation de Coopération Conjointe en materière d'Armaments) is
inmiddels versterkt met Italië en Groot-Brittannië. Nederland had ook
tot OCCAR willen toetreden, maar mocht niet meedoen met de grote
jongens. Moet je ook maar geen Amerikaanse Apache-helikopters kopen
terwijl er een Tigre van Eurocopter in de aanbieding is, daar wordt je
Europese marktoriëntatie niet geloofwaardiger van.
Economische politiek
Op economisch terrein heeft al heel wat Europese gelijkschakeling
plaatsgevonden, maar het beleid inzake wapenproduktie is hiervan
uitgezonderd geweest. De militaire industrie wordt niet op een hoop
gegooid met boterbergen en gekke koeien, maar valt onder de
ontwikkeling van een Europese buitenlands- en veiligheidsbeleid.
(Common Foreign Security Policy, CFSP). Het zijn wederom Duitsland en
Frankrijk, die het voortouw hebben genomen en (oorspronkelijk geheime)
afspraken voor beleidsafstemming hebben gemaakt. Voor het overige zit
er op dit moment niet veel schot in het CFSP, Er zit op dit moment niet
veel schot in dit beleid, en dat is een beetje sneu voor de Europese
wapenindustrie. Om haar belangen te behartigen heeft ze zich verenigd
in de EDIG (European Defence Industries Group). Deze groep pleit voor
andere, soepeler Europese wetgeving, zowel binnen Europa: betere
conccurentiemogelijkheden, joint-ventures en overnames zonder al te
veel politieke bemoeienis etc., als naar buiten: soepeler
wapenexportbeleid en exportpromotie op Unie-niveau.
Voorlopig worden defensiebudgetten nog steeds nationaal beheerd.
Wapenproduktie daarentegen is steeds minder een nationale
aangelegenheid. De controle op wapenexport is sterk aan het verslappen.
Daar regeringen uitgaan van 'legitieme veiligheidsbehoefte' van alle
landen, en veiligheid nog steeds gelijk wordt gesteld met bewapening,
speelt de overweging dat door de verspreiding van wapens de kans op
ernstige oorlogen toeneemt, nauwelijks een rol. Prioriteit van
regeringen liggen vooral bij het overeind houden van hun defensiesector
in de internationale concurrentiestrijd. Met name de Duitse
wapenindustrie hoopt door Europeanisering van de exportregelingen aan
tamelijk strenge nationale exportcontrole-maatregelen te ontkomen.
Wapenexportregels op Europees niveau bevinden zich op richtlijnbasis,
en hebben dus geen wetsstatus. Ze zijn niet juridisch afdwingbaar. Maar
door de toenemende Europeanisering van de industrie worden nationale
regels, voorzover die bestaan, veel vaker en makkelijker ontdoken. Wie
welke wapens aan welk land verkoopt is steeds moeilijker te traceren.
En gezien het feit dat het met de openbaarheid van informatie in
Brussel bedroevend is gesteld, zal openbaarheid van informatie over
wapenexporten, zoals in de Verenigde Staten bijvoorbeeld bestaat, op
Unie-niveau al helemaal moeilijk te bereiken zijn. Al met al worden
militaire produkten steeds meer verhandeld alsof het normale
handelswaar betreft. Dat zal de veiligheid in de wereld niet ten goede
komen.