Project Boterfabriek
Henk Slebos en de handel in nucleaire technologie
Hollanditis.Nu nr 1 mei 2007
Dat de Pakistaanse
atoomspion Abdul Qadeer Khan in de jaren zeventig in Nederland zijn
slag kon
slaan is redelijk breed bekend. Via de universiteiten van Delft en
Leuven ging
hij begin jaren zeventig bij FDO, een dochterbedrijf van Stork aan de
slag. Met
de toegang die hij kreeg tot de nieuwste technologie op het gebied van
uraniumverrijking èn dankzij de stilzwijgende medewerking van de
Nederlandse
staat, voorzag hij zijn land van een schat aan nucleaire geheimen. Toen
in 1975
de grond onder zijn voeten te heet werd keerde hij terug en kreeg een
functie
aan het hoofd van Pakistan’s kernwapenprogramma. Dat een oude
studievriend van
hem, Henk Slebos, van meet af aan een van zijn belangrijkste contacten
en
handelspartners was en jarenlang zonder al te veel tegenwerking de
benodigde
machines, apparaten en onderdelen voor dat nucleaire programma regelde
is veel
minder bekend. Later dit jaar vindt het hoger beroep plaats in een
slepende
strafzaak tegen de ingenieur uit Sint-Pancras.
Een paar jaar lang was het een van de beter geconserveerde
Nederlandse doofpotten, totdat de Duitse omroep ZDF in 1979 onthulde
dat A.Q.
Khan in zijn Nederlandse jaren de basis had weten te leggen voor
Pakistan’s
plannen op het gebied van uraniumverrijking en de ontwikkeling van een
eigen
kernwapen. De uitzending zorgde voor de nodige paniek in politiek Den
Haag,
waar na aanvankelijke hele en halve ontkenningen een
onderzoekscommissie in het
leven werd geroepen die voor de nodige opheldering zou moeten zorgen.
Het feit
dat het onderzoek door betrokken ambtenaren en niet door onafhankelijke
buitenstaanders werd geleid zorgde ervoor dat de doofpot goeddeels
gesloten
bleef. Het openbare eindverslag uit 1980 bleef daarom steken in vage
conclusies
over de omvang van de spionage en waarom Khan zo lang zijn gang had
kunnen
blijven gaan. Een serie rechtszaken in de nasleep van dat rapport tegen
zowel
Khan (spionage), als FDO en Van Doorne’s Transmissie (VDT, beide voor
illegale
export) liepen om verschillende redenen stuk, waarmee ‘de zaak Khan’
voor de
buitenwereld afgesloten leek.
Los van een enkele verwijzing naar de kwestie na de
kernproeven van India en Pakistan in 1998, kwam de zaak opnieuw in de
schijnwerpers nadat in oktober 2003 aan boord van een schip in Italië
een hele
vracht nucleaire apparatuur met bestemming Libië werd aangetroffen. De
vracht
kon worden herleid tot een aantal aan Khan gelieerde personen en
bedrijven.
Twee maanden later meldde de Libische leider Khadaffi haar programma’s
op het
gebied van massavernietigingswapens stop te zetten. Nog weer twee
manden later
legde Abdul Qadeer Khan voor de Pakistaanse staatstelevisie een
verklaring af
waarin hij toegaf kernwapentechnologie verkocht te hebben aan Iran,
Libië en
Noord-Korea. Hoewel Khan onder huisarrest werd gesteld besloot
president
Musharraf om hem niet verder juridisch te vervolgen. Dat besluit zou
ingegeven
zijn uit angst voor een opstand of een nieuwe staatsgreep - Khan is
voor een
groot deel van de bevolking een onbetwiste volksheld. Een niet minder
plausibele verklaring zou zijn dat Khan voor de rechter een trits hoge
politieke en militaire functionarissen in Pakistan in zijn val zou
meeslepen en
daarmee het land in een diepe crisis zou storten. De VS en ook de
Nederlandse
regering stelden zich al snel tevreden met Musharraf’s lijn. Indien
Khan
openheid van zaken zou geven zou ook de rol van het Westen wel eens in
een
negatief daglicht kunnen komen te staan.
Een paar weken na Khan’s bekentenis werd bekend dat tegen
Henk Slebos een strafzaak voorbereid werd vanwege een serie
overtredingen van
de In- en Uitvoerwet. Tot dan toe was de man een tamelijk onbekende
figuur
geweest, die decennialang handel had kunnen drijven ten bate van
Pakistan’s
nucleaire programma zonder daar ooit een dag voor in de cel te hebben
hoeven
zitten.
Slebos en Khan kennen elkaar sinds de jaren zestig als beide
metaalkunde studeren aan de TU (dan nog Technische Hogeschool) in Delft
en
reizen vrijwel dagelijks vanuit hun woonplaats Rijswijk naar Delft op
en neer. Doordat
ze allebei bij toeleveranciers van UCN/Urenco in Almelo komen te werken
komen
ze elkaar in die hoedanigheid nog regelmatig tegen. Zo doen ze samen
onderzoek
voor een dan nieuw te ontwikkelen ultracentrifuge, de 4M. Binnen een
jaar na
Khan’s vertrek uit Nederland zoekt Slebos hem voor het eerst op in
Pakistan. In
Nederland richt hij zijn bedrijf Slebos Research BV op.
Onderzoek naar het verleden van deze oude studievriend van
Khan leert dat de toenmalige BVD zeker al in 1977 – vóórdat de zaak
Khan
publiek bekend werd – op de hoogte was van de nauwe samenwerking tussen
Khan en
Slebos. Een oud-werkgever van Slebos had de inlichtingendienst in maart
van dat
jaar getipt dat Slebos met geheime ultracentrifuge technologie het
vliegtuig
naar Pakistan zou nemen. Ook meldde hij dat Slebos voor Khan een grote
order
voor speciaal bewerkte buizen voor ultracentrifuges uitvoerde; de order
waarvoor VDT zich jaren later voor de rechter moet verantwoorden. De
directeur
voelt zich absoluut niet serieus genomen door de dienst, die verder
onderzoek “niet
opportuun” achtte. In tegenstelling tot VDT hoeft Slebos zich jaren
later in
deze zaak ook niet voor de rechter te verantwoorden.
Begin jaren tachtig, nadat de zaak Khan uitgebreid in de
internationale pers is uitgemeten, wordt in ieder geval alerter
gereageerd op
Slebos’ handelen. Dikwijls blijkt dat niet in de laatste plaats de
verdienste
van buitenlandse inlichtingendiensten die Nederland voor op handen
zijnde
orders uit Pakistan waarschuwen. Tot in de ministerraad wordt het geval
Slebos
besproken, wanneer die in 1982 op zoek is naar leveranciers voor
onderdelen van
een kernbom. Een paar week later gaat het om een hoeveelheid verarmd
uranium. Omdat
de exportwetgeving nog amper is toegerust om de handel in nucleair
gerelateerde
onderdelen aan banden te leggen, kan men weinig meer doen dan
potentiële
leveranciers van Slebos onder druk te zetten om niet te leveren. Op
enig moment
overweegt men Slebos zijn paspoort te ontnemen. In het geval bomdelen
heeft men
daarmee maar ten dele succes. Een Turkse vriend van Slebos en Khan
neemt de
bestelling uiteindelijk voor zijn rekening. In veel andere gevallen is
Slebos
de autoriteiten gewoon te slim af.
Pas in oktober 1983 weet men Slebos te betrappen op de illegale
uitvoer van een oscilloscoop. In hoger beroep komt hij er achter vanaf
met een
boete van omgerekend negenduizend euro en een half jaar voorwaardelijke
celstraf. Het hof heeft verzachtende omstandigheden geconstateerd. Dat
is
bijzonder want Slebos is recidivist in hart en nieren. Nog tijdens de
rechtzaak
probeert hij langs andere wegen Pakistan aan de benodigde oscilloscopen
te
helpen.
Project Boterfabriek heeft Slebos zijn handel met Khan
gedoopt en de twee blijven elkaar regelmatig ontmoeten. In 1988 wordt
Khan in Bergen
op Zoom – waar zijn schoonfamilie woont – bij Slebos in de auto
aangetroffen en
als persona non grata het land uit gezet. Ook maken ze eind jaren
negentig in
het gezelschap van enkele topmannen uit Pakistan’s nucleaire
establishment een
paar rondreizen door Afrika – het gros van de bezochte landen staat
bekend om
de aanwezigheid van uranium in de bodem.
Vanaf midden jaren negentig weet de overheid door de
introductie van een zogenaamde catch-all clausule Slebos’ handel beter
aan
banden te leggen. Iedere goederenbeweging die in verband wordt gebracht
met
Pakistan’s kernwapenprogramma kan daarmee aan vergunningsplicht
onderworpen
worden, ook al is voor het product normaal geen uitvoervergunning
nodig. Het
gros van de opgelegde catch-alls van de afgelopen tien jaar heeft dan
ook
betrekking op Slebos. Waarmee niet gezegd is dat de aanpak succesvol
is.
Regelmatig wordt door te laat optreden achter het net gevist. Ook
blijkt Slebos
zich steeds minder van de Nederlandse overheid aan te trekken.
Vergunningsplicht of niet, hij probeert zijn waar onder deknamen of via
bijvoorbeeld Belgrado in Pakistan te krijgen.
Voor vijf van die overtredingen van de In- en Uitvoerwet is
Slebos momenteel in afwachting van zijn hoger beroep. In december 2005
werd hij
door de rechtbank in Alkmaar veroordeeld tot een jaar gevangenis,
waarvan acht
maanden voorwaardelijk en een boete van bijna twee ton.
Ongeacht de uitspraak van de rechter kan de rol van de
Nederlandse overheid niet anders dan somber stemmen. Na dertig jaar
erkende
handel ten bate van Pakistan’s kernwapenprogramma weet Henk Slebos weg
te komen
met hooguit een paar maanden cel. Dertig jaar na de vlucht van Abdul
Qadeer
Khan is Nederland nog amper in staat een effectieve blokkade op te
werpen tegen
het gevaar van nucleaire proliferatie. Erger nog, op een aantal
momenten was
daar zelfs geen enkel animo voor.
Waar graag een voortrekkersrol gespeeld wordt op het vlak
van internationaal humanitair recht en ontwapening is de politieke
realiteit
altijd weerbarstiger. Gegeven de Nederlandse bijdragen aan het
gifgasprogramma
van Irak en het nucleaire programma van Pakistan - en daarmee ook die
van Iran
en Noord-Korea - is er bepaald geen reden voor Nederland om zich op de
borst te
kloppen als het gaat om het tegengaan van de verspreiding van
massavernietigingswapens.
Frank Slijper, Campagne tegen Wapenhandel
Van de auteur verschijnt deze zomer bij het Transnational
Institute (TNI) een publicatie over Henk Slebos’ handel in nucleaire
apparatuur
en de rol van de Nederlandse overheid.