Nederland en de chemische wapens van Irak - mei 2007



Irak zet in de jaren '80 van de vorige eeuw veelvuldig chemische wapens in, zowel in de oorlog met Iran als tegen de eigen Koerdische bevolking. De grondstoffen voor deze wapens koopt het regime van Saddam Hoessein vooral van bedrijven in westerse landen. Ook Nederlandse bedrijven, met name Melchemie en KBS, zijn belangrijke leveranciers van dergelijke stoffen.

Daarnaast speelt de inmiddels veroordeelde zakenman Frans van Anraat een grote rol in de opbouw van het chemische wapenarsenaal van Irak.

 Rapport / Samenvatting / Persbericht / UK Summary / UK Press Release
Pas in 1984 onderwerpt de Nederlandse regering de uitvoer van een aantal chemische stoffen aan een vergunningplicht. Aan deze vergunningplicht gaat een verbeten strijd tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken vooraf, waardoor uiteindelijk veel minder stoffen op de ‘zwarte lijst’ terecht komen dan aanvankelijk door Buitenlandse Zaken voorgesteld was. De uitvoer van een aantal stoffen, die wel degelijk gebruikt kunnen worden voor de productie van chemische wapens, kan dan ook doorgaan. Staatssecretaris Frits Bolkestein van Economische Zaken, die in 1983 Irak bezoekt, is fel tegenstander van een omvattender uitvoerregeling.

Gebruik van chemische wapens door Irak
In september 1980 begint de langdurige oorlog tussen Irak en Iran. Volgens Iran gebruikt Irak in november 1980 voor het eerst chemische strijdmiddelen.

Vanaf juli 1982 worden de berichten over het gebruik van chemische wapens door Irak frequenter. Later in het conflict richt de inzet zich steeds vaker tegen burgers in zowel Iraans als Iraaks Koerdistan. Met name de aanval op Halabja, in maart 1988, roept veel internationale verontwaardiging op. In de week van deze aanval is een Iraakse handelsminister op bezoek in Nederland; van de kant van de Nederlandse regering wordt met geen woord gerept over de inzet van chemische wapens.
Na de Tweede Golfoorlog (1990-1991), wordt Irak onder internationale controle geplaatst en gedwongen zijn massavernietigingswapens te vernietigen. Hoewel de controles moeizaam verlopen, lijkt het erop dat Irak inderdaad z'n chemische wapenvoorraden midden jaren '90 heeft vernietigd.

Beleid
Het Nederlandse beleid in de jaren '80 ten aanzien van Irak geeft een ontluisterend beeld. Ondanks de oorlog wordt er alles aan gedaan zo goed mogelijke economische betrekkingen met het regime van Saddam Hoessein te onderhouden. Onder het motto van strikte neutraliteit wordt daarbij maar liever een oogje dichtgeknepen voor de gruwelijkheden die door Irak, en overigens ook door Iran, in het conflict worden begaan. Nederlandse economische belangen prevaleren bij de beleidsbepaling.
Op het vlak van leveranties van grondstoffen voor chemische wapens, reageert Nederland pas nadat het door de Amerikanen op grote Nederlandse orders aan Irak wordt gewezen. Tot april 1984 zijn zonder problemen grote hoeveelheden van zulke stoffen naar Irak uitgevoerd, terwijl al bekend is dat het land chemische wapens produceert en inzet. Als de regering door Amerikaanse collega’s op Nederlandse toeleveranciers wordt gewezen doet het Ministerie van Economische Zaken er vervolgens alles aan om de lijst van stoffen waarvoor een exportvergunngingsplicht gaat gelden zo beperkt mogelijk te houden. Daardoor vallen enkele door het Ministerie van Buitenlandse Zaken voorgestelde gifgasgrondstoffen alsnog af. Ook na april 1984 blijft het daarom mogelijk stoffen die geschikt zijn voor het produceren van chemische wapens, naar Irak te verschepen.

Bolkestein in Irak
In oktober 1983, bezoekt Bolkestein, die zich in het buitenland Minister van Buitenlandse Handel mag noemen, de Bagdad International Fair. Verder heeft hij ontmoetingen met de Iraakse vice-premier Ramadhan en met enkele andere ministers. Op dat moment is de regering al bekend met verhalen over gifgasgebruik door Irak. Bolkestein tekent tijdens dit bezoek een overeenkomst tussen Nederland en Irak die als doel heeft mogelijkheden voor economische en technische samenwerking te vergroten.
Uit het ambtelijk verslag van Bolkestein’s bezoek aan Bagdad blijkt dat hij vraagt “om pleitbezorging voor concrete Nederlandse belangen te vatten in een setting van sympathie voor het door drie jaar oorlog beproefde Iraakse volk. Van Iraakse zijde werd hierop positief gereageerd. Vermeld werd dat Irak nu zijn vrienden telde en dat hieruit na beëindiging van de oorlog voor de aldus geïdentificeerde landen consequenties zouden voortvloeien”.
Begin jaren ’90 past Bolkestein zijn indrukken over het Iraakse regime weliswaar aan, maar in het kader van de Nederlandse handelsbelangen had hij eerder weinig moeite dit nu door hem als 'luguber' betitelde gezelschap de hand te schudden en er een overeenkomst mee te sluiten.

Bedrijven
Met name in de eerste jaren van de opbouw van het chemische wapenprogramma van Irak, kwamen vrijwel alle grondstoffen en apparatuur voor dit programma uit het buitenland, vooral uit het westen. Het geheime 'Full Final and Complete Disclosure' (FFCD) rapport van de Verenigde Naties is de verantwoording die Irak in 1992, met latere aanvullingen, aan UNSCOM heeft afgelegd over zijn chemische wapens programma. In het rapport is een lijst opgenomen van bedrijven (voor zover bekend) die aan Irak geleverd hebben.
Er zijn twee Nederlandse bedrijven waarvan vaststaat dat zij chemische stoffen aan Irak hebben geleverd en die zeer waarschijnlijk gebruikt zijn voor de productie van chemische wapens. Het gaat om Melchemie (Arnhem, nu Melspring genaamd) en KBS Holland (Terneuzen, inmiddels Bravenboer en Scheers). Verder fungeerde de nu veroordeelde zakenman Frans van Anraat jarenlang als (illegale) handelaar in chemische stoffen voor Irak’s chemische wapens programma.

Melchemie
Melchemie heeft jarenlang chemische stoffen aan Irak geleverd, waaronder chemicaliën die als grondstof voor de productie van gifgas gelden. Volgens een brief van het Iraakse staatsbedrijf SEPP gaat het tot 1985 in ieder geval om de volgende stoffen: 1000 ton thionylchloride, 20 ton kaliumwaterstoffluoride, 60 ton fosforoxychloride, 5 ton waterstoffluoride, 100 ton fosfor, 150 ton isopropylalcohol, 15 ton pyridine en 30 ton o-chlorobenzaldehyde. Op één na – fosforoxychloride - vonden die transacties overigens plaats zonder dat daarvoor een exportvergunningsplicht gold. Dat neemt niet weg dat Melchemie destijds had moeten weten dat de stoffen voor de productie van chemische wapens kunnen dienen.

Wanneer in 1984 voor de uitvoer van fosforoxychloride, een grondstof voor mosterdgas, een vergunningsplicht geldt, neemt Melchemie, ondanks herhaaldelijke waarschuwingen van ondermeer het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een order voor 60 ton van deze stof aan van SEPP. De fosforoxychloride wordt via Italië naar Irak verscheept, maar de levering stokt na twee ladingen van 10 ton. Na een tip van de CIA doet de Economische Controle Dienst (de huidige FIOD-ECD) in februari 1985 een inval bij Melchemie. Het komt uiteindelijk tot een rechtszaak, waarbij het bedrijf veroordeeld wordt tot een boete van honderdduizend gulden (45.000 euro) en een voorwaardelijke stillegging voor de duur van een jaar met een proeftijd van twee jaar.
Ook na de inval in 1985 en de veroordeling in 1986 is Melchemie doorgegaan met het leveren van chemische stoffen aan Irak. Het geheime FFCD rapport noemt aan de hand van een lijst van leveranties het bedrijf expliciet als leverancier voor het Iraakse chemische wapenprogramma.

KBS
KBS levert in 1983 500 ton thiodiglycol (TDG) aan Irak. Nadien wordt vooral vanwege de ongebruikelijke omvang van de order algemeen aangenomen dat het voor de productie van mosterdgas bestemd was. Op dat moment staat het nog niet op de lijst vergunningsplichtige goederen. Ook worden andere goederen, die deels later op die lijst terecht komen, geleverd. Het FFCD rapport noemt in de periode 1982-1984 leveranties van minimaal 550 ton TDG, 150 ton thionylchloride en 600 ton natriumcyanide; de eerste twee zijn grondstoffen voor bijvoorbeeld mosterdgas, de laatste voor blauwzuur.
Wanneer in februari of maart 1984 weer een omvangrijke order voor TDG binnenkomt bij KBS, wordt deze uiteindelijk afgeslagen op advies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Andere handel van KBS met Irak gaat wel gewoon door.
Kamervragen in 2005 over de vervolgbaarheid van KBS, leiden tot afwijzende antwoorden van Minister Donner van Justitie. Dat is opmerkelijk, omdat op voorhand niet duidelijk is wat KBS destijds van het mogelijke eindgebruik heeft geweten. Het bestaan van die kennis speelde namelijk in het proces tegen Frans van Anraat (zie hieronder) een sleutelrol.

Frans van Anraat
De Nederlandse zakenman Frans van Anraat is jarenlang hofleverancier van het Iraakse chemische wapenprogramma. Hij springt in het gat dat met de nieuwe exportregels vanaf 1984 ontstaat. In 1989 wordt hij in Milaan, op verzoek van de Amerikaanse(!) autoriteiten, gearresteerd. Hij weet te ontvluchten naar Bagdad wanneer hij tijdelijk in vrijheid is gesteld. Het zal dan nog bijna vijftien  jaar duren voordat hij alsnog aangehouden wordt. Een groot deel van die tussenliggende tijd leidt hij naar verluidt een comfortabel leven in Bagdad als beschermeling van het Iraakse regime. Volgens de Amerikaanse douane zou hij tijdens zijn verblijf in Bagdad doorgegaan zijn met zijn werkzaamheden en voor Irak grondstoffen voor mosterdgas en zenuwgassen hebben gekocht in het buitenland. In 1997 wordt hij nog ondervraagd door UNSCOM.
Met de Amerikaans-Britse aanval in 2003 wordt het hem te heet onder de voeten. Hij krijgt een laissez-passer van de Nederlandse ambassade en gaat in Amsterdam wonen.
De Nederlandse overheid kan misschien moeilijk verweten worden dat zij niet tegen Van Anraat opgetreden heeft in de lange periode dat hij zich in Irak bevond, al was een veroordeling bij verstek misschien mogelijk geweest, vreemd wordt het wanneer hem bij terugkeer naar Nederland geen strobreed in de weg wordt gelegd. Niet alleen wordt hij niet aangehouden, hij verblijft naar verluidt zelfs enige tijd in een 'safe house' van de AIVD.
In eerste instantie lijkt het erop dat justitie het er inderdaad bij laat zitten. Van Anraat die zich, mede door de bescherming van de AIVD, veilig waant, geeft vervolgens in enkele interviews toe grondstoffen voor gifgassen aan Irak geleverd te hebben en op den duur ook wel te weten waarvoor deze gebruikt zouden worden. Het Openbaar Ministerie komt dan alsnog in actie: Van Anraat wordt, vlak voordat hij Nederland wil verlaten, gearresteerd en vervolgd. Het OM legt hem 36 leveranties, met een totaal van 2360 ton grondstoffen voor chemische wapens ten laste.
Op 23 december 2005 wordt hij door de rechtbank in Den Haag veroordeeld wegens medeplichtigheid aan “schending van de wetten en gebruiken van oorlog”. Volgens de rechtbank wist hij, of had althans moeten weten, dat de door hem geleverde chemische stoffen voor de productie van gifgassen zouden worden gebruikt. Ook was er volgens de rechtbank voldoende bewijs om aan te nemen dat chemische wapens met door Van Anraat geleverde grondstoffen daadwerkelijk ingezet zijn door Irak.
Medeplichtigheid aan genocide acht de rechtbank echter niet bewezen. Ondanks de vrijspraak voor dit zwaarste ten laste gelegde feit, wordt Van Anraat conform de eis van het Openbaar Ministerie veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 jaar. Zowel Van Anraat als het Openbaar Ministerie tekenen hoger beroep aan tegen het vonnis van de rechtbank. Op woensdag 9 mei 2007 doet het Gerechtshof daarin uitspraak.